About Me
Bonjour tout le monde!
Dag beste lezers. Welkom op mijn blog! Als je opzoek bent naar diepgaande blogstukjes over actualiteit in Pakistan dan bent u aan het verkeerde adres. Hier schrijf ik al mijn onzin, geef tips, misschien zelfs een klein beetje actualiteit. Als dit enige interesse wekt moet u zeker mijn blog volgen. Veel leesplezier!
Ik stel mij ook even voor.
1) Muziekliefhebber en "muzikant"
2) Dromer
3) Filmfanaat
4) Schrijver (die had je niet zien aankomen hé)
5) Reiziger
Ik stel mij ook even voor.
1) Muziekliefhebber en "muzikant"
2) Dromer
3) Filmfanaat
4) Schrijver (die had je niet zien aankomen hé)
5) Reiziger
Blog Archive
Pagina's
Blogs die mij kunnen bekoren
Mogelijk gemaakt door Blogger.
Volgers
Labels
- 3D (4)
- 50s en 60s (10)
- Alice In Wonderland (3)
- Alle gekheid op een stokje (9)
- Amsterdam (2)
- Black Dub (5)
- Bloggen (16)
- Bob Marley (1)
- Boudewijn De Groot (2)
- Buurman (4)
- Cabaret (4)
- Cactus Festival (1)
- Capitole Gent (3)
- Cartoon (1)
- Charlie Chaplin (3)
- Chico Marx (2)
- Chris Whitley (2)
- Concerten (22)
- Courteney Cox (3)
- Dakota Fanning (1)
- Damien Rice (2)
- De giftige pen van Arsène Bromput (4)
- Denzel Washington (1)
- Disney (4)
- Eddie Vedder (7)
- Edgar Allen Poe (1)
- Emile Hirsch (2)
- Eten en Drinken (2)
- Film (43)
- Fotografie (13)
- Frank Boeijen (3)
- Friends (6)
- Gabriel Rios (1)
- Gedicht (8)
- Genste Feesten (1)
- Gent (24)
- Gent Jazz (4)
- Grace Kelly (5)
- Groucho Marx (4)
- Handelsbeurs (5)
- Hans Teeuwen (5)
- Hans Teeuwen and The Painkillers (1)
- Harpo Marx (2)
- Harry Potter (3)
- Heath Ledger (2)
- Helena Bonham Carter (3)
- Humor (15)
- Humphrey Bogart (4)
- Into The Wild (2)
- Itunes (1)
- Jack White (1)
- Jacques Brel (3)
- Jennifer Aniston (3)
- Jimi Hendrix (2)
- Joanna Newsom (1)
- Joe Bonamassa (1)
- Johnny Cash (1)
- Johnny Depp (5)
- Kleinkunst (12)
- Kommil Foo (2)
- Kunst (4)
- Kurt Cobain (2)
- Last.fm (6)
- Laura Marling (2)
- Lauren Bacall (5)
- Let's try it in English (3)
- Lewis Carroll (3)
- Lijsten (12)
- Literatuur (20)
- London (9)
- Man On Fire (1)
- Marina and The Diamonds (2)
- Muziek (113)
- Natuur (8)
- Natuurramp (1)
- Nick Drake (2)
- Nirvana (1)
- NTG (1)
- Oasis (2)
- Onnozel geleuter (6)
- Op stap met Klaas Vaak (2)
- Oscar Wilde (1)
- PC (9)
- Pearl Jam (8)
- Pietje De Dood (8)
- Pixar (1)
- Queen (3)
- Quentin Tarantino (2)
- Quotes (6)
- Rafael Nadal (5)
- Recensie (28)
- Regina Spektor (1)
- Reizen (9)
- Réné Magritte (1)
- Reservoir Dogs (2)
- Roland Smeenk (1)
- S. Carmiggelt (1)
- School (25)
- Selah Sue (1)
- Series (1)
- Shirley Maclaine (5)
- Spanje (4)
- Stevie Ray Vaughan (1)
- Sweeney Todd (1)
- Teeuwen en Smeenk (2)
- Tennis (4)
- The Beatles (1)
- The Dark Knight (2)
- The Marx Brothers (4)
- Tim Burton (5)
- Tindersticks (2)
- Tom Waits (2)
- Tori Amos (2)
- Trixie Whitley (10)
- Tv (9)
- Verhaaltje (5)
- Vincent Price (2)
- voetbal (7)
- Vooruit Gent (3)
- Wallpapers (1)
- Wim De Craene (2)
- Wimbledon (2)
- WK 2010 (1)
- Youtube (66)
Bezoekers
Posts tonen met het label Literatuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Literatuur. Alle posts tonen
maandag 12 september 2011
Broodje Aap
Even een leuke verhaaltje tot ik zelf weer inspiratie heb. Normaal staat er een optreden gepland dus dan komt er zeker een verslag!
Jane en Melissa deelden samen een studentenflat op de campus van een Amerikaanse universiteit. Rond 9 uur 's avonds herinnerde Jane zich dat ze haar bibliotheekboek nog terug moest brengen. Ze vertelde haar huisgenote dat ze naar de bibliotheek ging en waarschijnlijk nog even de kroeg in zou duiken. Ze vroeg Melissa of ze meeging, maar die vertelde dat ze vroeg ging slapen. Ze vroeg Jane of die de lichten uit wilde doen als ze naar buiten ging.
Jane deed dit en ging op weg naar de bibliotheek. Onderweg kwam ze een vriendin tegen, met wie ze even bleef praten. Opeens realiseerde ze zich dat ze het boek was vergeten. Ze ging terug naar huis om het op te halen. Om haar huisgenote niet wakker te maken, zocht Jane in het donker naar het boek. Met het boek onder haar arm ging ze vervolgens opnieuw naar de bibliotheek, waarna ze met een paar vrienden de kroeg inging.
Toen Jane midden in de nacht terugging naar huis, stonden voor haar deur een ambulance en een politie-auto. Een agent nam haar mee naar haar studentenflat. Daar zag Jane twee dingen die ze haar hele leven niet meer zou vergeten: de matras van haar huisgenote zat onder het bloed, en iemand had met lipstick op de muur geschreven:
"Ben je niet blij dat je het licht niet hebt aangedaan?"
Jane en Melissa deelden samen een studentenflat op de campus van een Amerikaanse universiteit. Rond 9 uur 's avonds herinnerde Jane zich dat ze haar bibliotheekboek nog terug moest brengen. Ze vertelde haar huisgenote dat ze naar de bibliotheek ging en waarschijnlijk nog even de kroeg in zou duiken. Ze vroeg Melissa of ze meeging, maar die vertelde dat ze vroeg ging slapen. Ze vroeg Jane of die de lichten uit wilde doen als ze naar buiten ging.
Jane deed dit en ging op weg naar de bibliotheek. Onderweg kwam ze een vriendin tegen, met wie ze even bleef praten. Opeens realiseerde ze zich dat ze het boek was vergeten. Ze ging terug naar huis om het op te halen. Om haar huisgenote niet wakker te maken, zocht Jane in het donker naar het boek. Met het boek onder haar arm ging ze vervolgens opnieuw naar de bibliotheek, waarna ze met een paar vrienden de kroeg inging.
Toen Jane midden in de nacht terugging naar huis, stonden voor haar deur een ambulance en een politie-auto. Een agent nam haar mee naar haar studentenflat. Daar zag Jane twee dingen die ze haar hele leven niet meer zou vergeten: de matras van haar huisgenote zat onder het bloed, en iemand had met lipstick op de muur geschreven:
"Ben je niet blij dat je het licht niet hebt aangedaan?"
woensdag 3 augustus 2011
Einde verhaal
Op 31 Juli, de verjaardag van zowel J.K. Rowling als Harry Potter, heb ik het laatste Harry Potter boek uitgelezen. Ik kijk er met gemengde gevoelens op terug. Laat ik beginnen met te zeggen dat een heel goed boek was. Alles valt mooi op zijn plaats en het verhaal loopt als trein (net als alle andere boeken uit de reeks). Het is een waardige afsluiter voor deze geniale reeks. Het mindere is nu dat het tijdperk er nu echt op zit. Er zijn geen boeken meer van Harry en er zullen waarschijnlijk nooit meer vervolgen komen. Dit lijkt mij het best al zal ik, moest er een nieuw verhaal komen, heel gretig zijn om het volgende avontuur te lezen. Na al de boeken te hebben gelezen komt het wel als een mokerslag aan, om het even dramatisch te verwoorden, dat het ten einde is. Ik heb gelukkig wel nog 3 films voor de boeg waar ik echt naar uitkijk. De laatste twee films wil ik wel na mekaar bekijken omdat er 1 verhaal wordt verteld. De laatste paar dagen heb ik nog tal van informatie gevonden op het internet en waarschijnlijk zal ik ook wel een kijkje nemen op Pottermore (vanaf Oktober open voor het grote publiek).
donderdag 28 juli 2011
5 Boeken
Ik hou mij elke zomer voor om minstens 5 boeken te lezen. Ik weet niet echt waarom maar dat is een must. Tijdens het schooljaar heb ik gewoon te weinig tijd om te lezen. Aangezien we bijna in de helft van de zonneloze vakantie, wel perfect leesweer, zijn maak ik nu even de balans op.
Gelezen boeken:
De 6 eerste boeken van Harry Potter. Ik ga nu net aan de laatste beginnen en ben echt benieuwd hoe de reeks afsluit.
Nog van plan te lezen:
Conclusie: Missie geslaagd. Over en uit!
Gelezen boeken:
De 6 eerste boeken van Harry Potter. Ik ga nu net aan de laatste beginnen en ben echt benieuwd hoe de reeks afsluit.
Nog van plan te lezen:
- Harry Potter: De Relieken Van De Dood
- Gouden Kompas
- Listige Mes
- Amberkleurige Kijker
Conclusie: Missie geslaagd. Over en uit!
woensdag 23 maart 2011
Auteurschap
Vanaf heden ben ik een gepubliceerd auteur. Ik heb namelijk eens voor de grap een berichtje naar de rubriek 'Uitlaat' van Humo gestuurd en tot mijn verbazing sta ik er deze week in. De bedoeling was eens testen hoe makkelijk je daar een berichtje kan plaatsen.
Mijn berichtje, dat dezelfde titel draagt als dit blogbericht, is te vinden op de 2de pagina van 'Uitlaat' als eerste bericht. Het is ondertekend met Nixon Mandela.
PS: Binnenkort zal ik het misschien eens online zetten. ;)
Mijn berichtje, dat dezelfde titel draagt als dit blogbericht, is te vinden op de 2de pagina van 'Uitlaat' als eerste bericht. Het is ondertekend met Nixon Mandela.
PS: Binnenkort zal ik het misschien eens online zetten. ;)
zondag 13 maart 2011
Leuke woorden & namen
Sommige woorden of namen zullen mij altijd bijblijven. Ze zijn grappig of klinken mooi. Hieronder een paar voorbeelden.
Desiderius
Hermenegildus
Stoffel
serendipiteit
intellectueel proletariaat
zandzeepsodemineraalwaterstralen
...
PS: Als je er nog leuke weet mag je ze altijd posten. ;)
Desiderius
Hermenegildus
Stoffel
serendipiteit
intellectueel proletariaat
zandzeepsodemineraalwaterstralen
...
PS: Als je er nog leuke weet mag je ze altijd posten. ;)
donderdag 10 februari 2011
Welk gedicht?
Welk gedicht is van mij?
1. Sneeuwvlok
COPYRIGHT CLAIM
2. Puzzel
Je gezicht is als een kruiswoordraadsel
Maar de antwoorden ontglippen mij telkens
Stukje bij beetje lukt het mij
Hoe meer het ingevuld raakt
Hoe meer ik er je gezicht in ontwaar
3. Kleine Land
Mijn kleine land aan het Noordzeestrand
Wat is er toch aan de hand
Ik heb gehoord het is crisis in mijn land
Met regering Leterme was het gene ferme
We staan bekend om ons eten en dat heeft het buitenland geweten
En ook om Manneke Pis want dat ventje is niet mis
1. Sneeuwvlok
COPYRIGHT CLAIM
2. Puzzel
Je gezicht is als een kruiswoordraadsel
Maar de antwoorden ontglippen mij telkens
Stukje bij beetje lukt het mij
Hoe meer het ingevuld raakt
Hoe meer ik er je gezicht in ontwaar
3. Kleine Land
Mijn kleine land aan het Noordzeestrand
Wat is er toch aan de hand
Ik heb gehoord het is crisis in mijn land
Met regering Leterme was het gene ferme
We staan bekend om ons eten en dat heeft het buitenland geweten
En ook om Manneke Pis want dat ventje is niet mis
maandag 27 december 2010
Lijstjes (2)
Een tijdje geleden heb ik eens vlug lijstjes gemaakt. Tijd om ze nog wat te verlengen.
Te beluisteren artiesten
The Temper Trap
Cee Lo Green
Brian Eno
Jeff Beck Group
Dorleac
Muse
Al Green
Sia
Vaja Condios
Blind Boy Fuller
Aloe Blac
The National
The Verve
Sheryl Crow
...
Te kopen cd's
Golden Earring - Naked II
Pearl Jam - Live @ Benayora Hall
Tori Amos - Little Earthquackes
Veldhuis & Kemper - Half zo echt
Damien Rice - O
Chris Whitley - War Crime Blues
Black Dub - Black Dub
Pink Floyd - Wish You Were Here
Pearl Jam - Rearviewmirror
Oasis - MTV Unplugged
Nick Drake - Pink moon
Laura Marling - Alas I cannot swim
Kommil Foo - Lof der waanzin
Sweeney Todd soundtrack
Nightmare before Christmas soundtrack
Jackson C. Frank - Blues run the game
...
Te lezen boeken
Jonathan Safran Foer - Extreem Luid & Ongelooflijk Dichtbij
Patrick Süskind - Het Parfum: De Geschiedenis van een Moordenaar
Jack Kerouac - Onderweg
Zoveel mogelijk Brusselmans
Dimitri Verhulst - De Laatste Liefde van Mijn Moeder
...
Te bekijken films
Inception
Chocolat
Tirza
Harry Potter and the Half-Blood Prince
Spirited Away
A nightmare on elmstreet (remake)
Shrek forever after
The expendables
Law Abiding Citizen
Avatar
De futurama reeks
Ice Age: Dawn of the Dinosaurs
Friday the 13th 1&2
...
Te beluisteren artiesten
The Temper Trap
Cee Lo Green
Brian Eno
Jeff Beck Group
Dorleac
Muse
Al Green
Sia
Vaja Condios
Blind Boy Fuller
Aloe Blac
The National
The Verve
Sheryl Crow
...
Te kopen cd's
Golden Earring - Naked II
Pearl Jam - Live @ Benayora Hall
Tori Amos - Little Earthquackes
Veldhuis & Kemper - Half zo echt
Damien Rice - O
Chris Whitley - War Crime Blues
Black Dub - Black Dub
Pink Floyd - Wish You Were Here
Pearl Jam - Rearviewmirror
Oasis - MTV Unplugged
Nick Drake - Pink moon
Laura Marling - Alas I cannot swim
Kommil Foo - Lof der waanzin
Sweeney Todd soundtrack
Nightmare before Christmas soundtrack
Jackson C. Frank - Blues run the game
...
Te lezen boeken
Jonathan Safran Foer - Extreem Luid & Ongelooflijk Dichtbij
Patrick Süskind - Het Parfum: De Geschiedenis van een Moordenaar
Jack Kerouac - Onderweg
Zoveel mogelijk Brusselmans
Dimitri Verhulst - De Laatste Liefde van Mijn Moeder
...
Te bekijken films
Inception
Chocolat
Tirza
Harry Potter and the Half-Blood Prince
Spirited Away
A nightmare on elmstreet (remake)
Shrek forever after
The expendables
Law Abiding Citizen
Avatar
De futurama reeks
Ice Age: Dawn of the Dinosaurs
Friday the 13th 1&2
...
zondag 21 november 2010
Lijstjes
Op de blog die ik volg zie ik nog al vaak lijstjes opduiken. Dus ik ga dat ook eens proberen dacht ik bij mezelf. Niet dat ik nooit lijstjes maak ofzo. Af en toe wel maar het probleem is dat ik ze altijd kwijt raak. Vandaar dat ik ze nu ook eens online zet. Dan is de kans al veel kleiner dat ik ze kwijt raak. :)We beginnen met een paar korte lijstjes
Te beluisteren artiesten
The Temper Trap
Cee Lo Green
Brian Eno
...
Te kopen cd's
Golden Earring - Naked II
Pearl Jam - Live @ Benayora Hall
Tori Amos - Little Earthquackes
...
Te lezen boeken
Jonathan Safran Foer - Extreem Luid & Ongelooflijk Dichtbij
Patrick Süskind - Het Parfum: De Geschiedenis van een Moordenaar
Jack Kerouac - Onderweg
...
Te bekijken films
Inception
Chocolat
Tirza
Harry Potter and the Half-Blood Prince
...
Te beluisteren artiesten
The Temper Trap
Cee Lo Green
Brian Eno
...
Te kopen cd's
Golden Earring - Naked II
Pearl Jam - Live @ Benayora Hall
Tori Amos - Little Earthquackes
...
Te lezen boeken
Jonathan Safran Foer - Extreem Luid & Ongelooflijk Dichtbij
Patrick Süskind - Het Parfum: De Geschiedenis van een Moordenaar
Jack Kerouac - Onderweg
...
Te bekijken films
Inception
Chocolat
Tirza
Harry Potter and the Half-Blood Prince
...
vrijdag 22 oktober 2010
Brave New World quotes
Ik heb voor Engels het boek Brave New World gelezen. Het was best een goed boek met een paar leuke quotes. Hier zijn 3 voorbeeldjes.
"All our science is just a cookery book, with an orthodox theory of cooking that nobody's allowed to question, and a list of recipes that mustn't be added to except by special permission from the head cook."
"Words can be like X-rays, if you use them properly-they’ll go trough anything."
"Exposing what is mortal and unsure to all that fortune, death and danger dare, even for an eggshell. Isn't there something in that?" he asked, looking up at Mustapha Mond. "Quite apart from God–though of course God would be a reason for it. Isn't there something in living dangerously?"
"There's a great deal in it," the Controller replied. "Men and women must have their adrenals stimulated from time to time."
"What?" questioned the Savage, uncomprehending.
"It's one of the conditions of perfect health. That's why we've made the V.P.S. treatments compulsory."
"V.P.S.?"
"Violent Passion Surrogate. Regularly once a month. We flood the whole system with adrenalin. It's the complete physiological equivalent of fear and rage. All the tonic effects of murdering Desdemona and being murdered by Othello, without any of the inconveniences."
"But I like the inconveniences."
"We don't," said the Controller. "We prefer to do things comfortably."
"But I don't want comfort. I want God, I want poetry, I want real danger, I want freedom, I want goodness. I want sin."
"In fact," said Mustapha Mond, "you're claiming the right to be unhappy."
"All right then," said the Savage defiantly, "I'm claiming the right to be unhappy."
"All our science is just a cookery book, with an orthodox theory of cooking that nobody's allowed to question, and a list of recipes that mustn't be added to except by special permission from the head cook."
"Words can be like X-rays, if you use them properly-they’ll go trough anything."
"Exposing what is mortal and unsure to all that fortune, death and danger dare, even for an eggshell. Isn't there something in that?" he asked, looking up at Mustapha Mond. "Quite apart from God–though of course God would be a reason for it. Isn't there something in living dangerously?"
"There's a great deal in it," the Controller replied. "Men and women must have their adrenals stimulated from time to time."
"What?" questioned the Savage, uncomprehending.
"It's one of the conditions of perfect health. That's why we've made the V.P.S. treatments compulsory."
"V.P.S.?"
"Violent Passion Surrogate. Regularly once a month. We flood the whole system with adrenalin. It's the complete physiological equivalent of fear and rage. All the tonic effects of murdering Desdemona and being murdered by Othello, without any of the inconveniences."
"But I like the inconveniences."
"We don't," said the Controller. "We prefer to do things comfortably."
"But I don't want comfort. I want God, I want poetry, I want real danger, I want freedom, I want goodness. I want sin."
"In fact," said Mustapha Mond, "you're claiming the right to be unhappy."
"All right then," said the Savage defiantly, "I'm claiming the right to be unhappy."
dinsdag 24 augustus 2010
Tijd voor een gedicht VII
What do I do
With a girl like you
So sweet, so young
And yet so rotten
My old heart was broken before
So believe me, I haven't forgotten
Out on the surface you look
So pure, fragile and shy and insecure
But young girls play games
And they always wanna win
They look for my weak spot, within
When you roll with your eyes
Play with your hair
When you take my breath away
That's when I have to be aware
'Cause I'll drop my guard
And you look in my soul
But you wouldn't know
How to be in control
And that's why you'll break me
That's the reason why you'll use me up
Until you find yourself another guy
Life is so simple
If you haven't got a clue
You'll be on your way
And I'll be crying over you
I'm getting older and wiser
But I seem to have some difficulty
Giving up a dream
I should move on
Look up to the sky
And slowly let
This love affair die
But maybe, if I'm cunning
Maybe if I'm smart
If I won't show you my cards
Until you show me your heart
And then when it's safe
And I like what I see
You might find how good it is
Just to be with me
Hans Teeuwen
With a girl like you
So sweet, so young
And yet so rotten
My old heart was broken before
So believe me, I haven't forgotten
Out on the surface you look
So pure, fragile and shy and insecure
But young girls play games
And they always wanna win
They look for my weak spot, within
When you roll with your eyes
Play with your hair
When you take my breath away
That's when I have to be aware
'Cause I'll drop my guard
And you look in my soul
But you wouldn't know
How to be in control
And that's why you'll break me
That's the reason why you'll use me up
Until you find yourself another guy
Life is so simple
If you haven't got a clue
You'll be on your way
And I'll be crying over you
I'm getting older and wiser
But I seem to have some difficulty
Giving up a dream
I should move on
Look up to the sky
And slowly let
This love affair die
But maybe, if I'm cunning
Maybe if I'm smart
If I won't show you my cards
Until you show me your heart
And then when it's safe
And I like what I see
You might find how good it is
Just to be with me
Hans Teeuwen
dinsdag 10 augustus 2010
Tijd Voor Een Gedicht VI
Het is eigenlijk een nummer maar kan even goed als gedicht gezien worden.
Het Pijpke Van Den Piot
Als de kanonnen branden,
Als ik, al klappertanden,
De dood haar beendrig' handen
Zie polsen in ons bloed,...
Dan nijpt mijn bevend lipke
Op den steel va mijn pijpke,
en 'k put er nieuwe moed.
Bij 't donderen der granaten,
En als de kogel schiet,
Nooit hebt ge mij verlaten, (bis)
Ik ook verlaat u niet.
Maar komt de dood mij pikken,
Dan zal ne' vriend, al snikken,
Uit mijn broekzak trekken,
U, pijpken, zwart en koud.
Gij zult bij vriend en magen,
De laatste kusjes dragen,
Die 'k u heb toevertrouwd,
Dan zal ik u verlaten,
O pijpke, vroeger nooit.
Wij zijn gezworen maten, (bis)
Getrouw tot in den dood.
Het vierde linie-regiment, Elzendamme aan den Ijzer, 1915)
Het Pijpke Van Den Piot
Als de kanonnen branden,
Als ik, al klappertanden,
De dood haar beendrig' handen
Zie polsen in ons bloed,...
Dan nijpt mijn bevend lipke
Op den steel va mijn pijpke,
en 'k put er nieuwe moed.
Bij 't donderen der granaten,
En als de kogel schiet,
Nooit hebt ge mij verlaten, (bis)
Ik ook verlaat u niet.
Maar komt de dood mij pikken,
Dan zal ne' vriend, al snikken,
Uit mijn broekzak trekken,
U, pijpken, zwart en koud.
Gij zult bij vriend en magen,
De laatste kusjes dragen,
Die 'k u heb toevertrouwd,
Dan zal ik u verlaten,
O pijpke, vroeger nooit.
Wij zijn gezworen maten, (bis)
Getrouw tot in den dood.
Het vierde linie-regiment, Elzendamme aan den Ijzer, 1915)
zondag 1 augustus 2010
Into the wild
Christopher McCandless was een prille twintiger die met succes zijn universitaire studies had afgerond. Zijn ouders, allebei welgesteld, hadden zoals iedereen verwacht dat Chris in hun voetsporen ging treden en een mooie job zoeken. Chris zag dit niet zitten.
Hij was de materialistische samenleving kotsbeu. Hij wou vrij zijn. Zonder van iemand afscheid te nemen vertrok hij met een minimum aan middelen de wildernis in. Hij wou terug naar de oerbasis van het bestaan.
Voor zijn vertrek doneerde hij al zijn spaargeld, zo’n 24 000 dollar, aan oxfam. De rest van zijn geld verbrande hij. Hij vertrok in zijn ouwe Datsun richting de wildernis. Korte tijd later verloor hij zijn Datsun door hem verkeerd te parkeren. De auto werd opgeslorpt door de zee. Geen bezwaar vond Chris. Nu was hij nog afhankelijker van de natuur.
McCandless liftte van punt a naar punt b en ontmoette talrijke mensen. Soms bleef hij even bij hen maar na een tijd vertrok hij altijd weer. McCandless had ondertussen zijn naam al veranderd naar Alexander Supertramp. Hij wou niets meer te maken hebben met zijn familie. Velen van de mensen die Chris ontmoette waren toch ongerust. Ze vroegen zich af of hun ouders wisten waar hij was. Telkens ontweek hij de vraag.
Zijn tocht ging verder maar nu had hij een doel hij wou naar Alaska. McCandless is er uiteindelijk ook geraakt. Meer dan de kleren op zijn rug, een geweer en wat voedsel had de avonturier haast niet bij. De man van wie Chris zijn laatste lift kreeg gaf hem na lang aandringen nog een paar laarzen mee.
Chris trok een riviertje over en vond een leegstaande bus die werd gebruikt door jagers. Dit werd zijn slaapvertrek. Hij had een boek waar in stond welke planten eetbaar waren en een papiertje waar op stond hoe je vlees moest conserveren. Hij kon een eland doodden maar het conserveren was mislukt. Hierna was Chris heel boos op zichzelf. Hij moest proberen overleven op planten. Chris verzwakte langzamerhand. Hij pakte zijn spullen en wou terugkeren om te herstellen maar de rivier was gestegen. Toen McCandless de rivier overgetrokken had was hij half bevroren geweest.
Korte tijd later overleed hij. Later is gebleken dat Chris even verderop zich via een kabel over de rivier had kunnen trekken. McCandless was zo koppig geweest om geen kaart te gebruiken. Hij had een kaart gebruikt dan had hij zichzelf misschien nog kunnen redden. Het laatste wat McCandless geschreven heeft stond op de achterkant van een blad dat hij uit één van zijn lievelingsboeken had gescheurd: "I HAVE HAD A HAPPY LIFE AND THANK THE LORD. GOODBYE AND MAY GOD BLESS ALL!"Christopher McCandless werd 24 jaar.

Dit is de laatste foto ooit gemaakt van Christopher McCandless. Hier zit hij voor The Magic Bus
De exacte doodsoorzaak is niet geweten maar waarschijnlijk heeft hij een verkeerde plant gegeten of is hij verhongerd. Een paar maand later werd zijn lichaam, dat nog amper 30 kilo woog, gevonden door jagers. Zijn reis heeft hij gedocumenteerd in zijn dagboek.
Ondanks dat hij nog heel jong gestorven is denk ik dat hij de korte tijd dat hij “vrij” was het gelukkigst was tijdens zijn hele leven. Hij is gelukkig gestorven. In de woorden van Teeuwen & Smeenk: “ Hij stierf veel te vroeg maar hij had geen berouw. Hij had met zijn leven gedaan wat hij wou.”
Jon Krakauer heeft een boek geschreven over het leven van Mccandless. Het boek is een paar jaar later verfilmd geweest door Sean Penn. Emile Hirsch nam de hoofdrol voor zijn rekening. Eddie Vedder verzorgde de soundtrack.
Hij was de materialistische samenleving kotsbeu. Hij wou vrij zijn. Zonder van iemand afscheid te nemen vertrok hij met een minimum aan middelen de wildernis in. Hij wou terug naar de oerbasis van het bestaan.
Voor zijn vertrek doneerde hij al zijn spaargeld, zo’n 24 000 dollar, aan oxfam. De rest van zijn geld verbrande hij. Hij vertrok in zijn ouwe Datsun richting de wildernis. Korte tijd later verloor hij zijn Datsun door hem verkeerd te parkeren. De auto werd opgeslorpt door de zee. Geen bezwaar vond Chris. Nu was hij nog afhankelijker van de natuur.
McCandless liftte van punt a naar punt b en ontmoette talrijke mensen. Soms bleef hij even bij hen maar na een tijd vertrok hij altijd weer. McCandless had ondertussen zijn naam al veranderd naar Alexander Supertramp. Hij wou niets meer te maken hebben met zijn familie. Velen van de mensen die Chris ontmoette waren toch ongerust. Ze vroegen zich af of hun ouders wisten waar hij was. Telkens ontweek hij de vraag.
Zijn tocht ging verder maar nu had hij een doel hij wou naar Alaska. McCandless is er uiteindelijk ook geraakt. Meer dan de kleren op zijn rug, een geweer en wat voedsel had de avonturier haast niet bij. De man van wie Chris zijn laatste lift kreeg gaf hem na lang aandringen nog een paar laarzen mee.
Chris trok een riviertje over en vond een leegstaande bus die werd gebruikt door jagers. Dit werd zijn slaapvertrek. Hij had een boek waar in stond welke planten eetbaar waren en een papiertje waar op stond hoe je vlees moest conserveren. Hij kon een eland doodden maar het conserveren was mislukt. Hierna was Chris heel boos op zichzelf. Hij moest proberen overleven op planten. Chris verzwakte langzamerhand. Hij pakte zijn spullen en wou terugkeren om te herstellen maar de rivier was gestegen. Toen McCandless de rivier overgetrokken had was hij half bevroren geweest. Korte tijd later overleed hij. Later is gebleken dat Chris even verderop zich via een kabel over de rivier had kunnen trekken. McCandless was zo koppig geweest om geen kaart te gebruiken. Hij had een kaart gebruikt dan had hij zichzelf misschien nog kunnen redden. Het laatste wat McCandless geschreven heeft stond op de achterkant van een blad dat hij uit één van zijn lievelingsboeken had gescheurd: "I HAVE HAD A HAPPY LIFE AND THANK THE LORD. GOODBYE AND MAY GOD BLESS ALL!"Christopher McCandless werd 24 jaar.

Dit is de laatste foto ooit gemaakt van Christopher McCandless. Hier zit hij voor The Magic Bus
De exacte doodsoorzaak is niet geweten maar waarschijnlijk heeft hij een verkeerde plant gegeten of is hij verhongerd. Een paar maand later werd zijn lichaam, dat nog amper 30 kilo woog, gevonden door jagers. Zijn reis heeft hij gedocumenteerd in zijn dagboek.
Ondanks dat hij nog heel jong gestorven is denk ik dat hij de korte tijd dat hij “vrij” was het gelukkigst was tijdens zijn hele leven. Hij is gelukkig gestorven. In de woorden van Teeuwen & Smeenk: “ Hij stierf veel te vroeg maar hij had geen berouw. Hij had met zijn leven gedaan wat hij wou.”
Jon Krakauer heeft een boek geschreven over het leven van Mccandless. Het boek is een paar jaar later verfilmd geweest door Sean Penn. Emile Hirsch nam de hoofdrol voor zijn rekening. Eddie Vedder verzorgde de soundtrack.
woensdag 28 juli 2010
Tijd voor een gedicht V
Donnez-moi la sérénité
D'accepter toutes les choses
Que je ne puis changer
Donnez-moi le courage
De changer les choses que je peux
Et la sagesse d'en connaître la différence
Marc Aurèle
D'accepter toutes les choses
Que je ne puis changer
Donnez-moi le courage
De changer les choses que je peux
Et la sagesse d'en connaître la différence
Marc Aurèle
vrijdag 23 juli 2010
Tijd voor een gedicht IV
Vijvers lachen kringen wanneer
meisjes rillen van het koude water
en kreten giechelen om strelende
golven die met hun voeten spelen
Betty Puttemans
meisjes rillen van het koude water
en kreten giechelen om strelende
golven die met hun voeten spelen
Betty Puttemans
vrijdag 16 juli 2010
Tijd voor een gedicht III
The Raven
Once upon a midnight dreary, while I pondered weak and weary,
Over many a quaint and curious volume of forgotten lore,
While I nodded, nearly napping, suddenly there came a tapping,
As of some one gently rapping, rapping at my chamber door.
`'Tis some visitor,' I muttered, `tapping at my chamber door -
Only this, and nothing more.'
Ah, distinctly I remember it was in the bleak December,
And each separate dying ember wrought its ghost upon the floor.
Eagerly I wished the morrow; - vainly I had sought to borrow
From my books surcease of sorrow - sorrow for the lost Lenore -
For the rare and radiant maiden whom the angels named Lenore -
Nameless here for evermore.
And the silken sad uncertain rustling of each purple curtain
Thrilled me - filled me with fantastic terrors never felt before;
So that now, to still the beating of my heart, I stood repeating
`'Tis some visitor entreating entrance at my chamber door -
Some late visitor entreating entrance at my chamber door; -
This it is, and nothing more,'
Presently my soul grew stronger; hesitating then no longer,
`Sir,' said I, `or Madam, truly your forgiveness I implore;
But the fact is I was napping, and so gently you came rapping,
And so faintly you came tapping, tapping at my chamber door,
That I scarce was sure I heard you' - here I opened wide the door; -
Darkness there, and nothing more.
Deep into that darkness peering, long I stood there wondering, fearing,
Doubting, dreaming dreams no mortal ever dared to dream before;
But the silence was unbroken, and the darkness gave no token,
And the only word there spoken was the whispered word, `Lenore!'
This I whispered, and an echo murmured back the word, `Lenore!'
Merely this and nothing more.
Back into the chamber turning, all my soul within me burning,
Soon again I heard a tapping somewhat louder than before.
`Surely,' said I, `surely that is something at my window lattice;
Let me see then, what thereat is, and this mystery explore -
Let my heart be still a moment and this mystery explore; -
'Tis the wind and nothing more!'
Open here I flung the shutter, when, with many a flirt and flutter,
In there stepped a stately raven of the saintly days of yore.
Not the least obeisance made he; not a minute stopped or stayed he;
But, with mien of lord or lady, perched above my chamber door -
Perched upon a bust of Pallas just above my chamber door -
Perched, and sat, and nothing more.
Then this ebony bird beguiling my sad fancy into smiling,
By the grave and stern decorum of the countenance it wore,
`Though thy crest be shorn and shaven, thou,' I said, `art sure no craven.
Ghastly grim and ancient raven wandering from the nightly shore -
Tell me what thy lordly name is on the Night's Plutonian shore!'
Quoth the raven, `Nevermore.'
Much I marvelled this ungainly fowl to hear discourse so plainly,
Though its answer little meaning - little relevancy bore;
For we cannot help agreeing that no living human being
Ever yet was blessed with seeing bird above his chamber door -
Bird or beast above the sculptured bust above his chamber door,
With such name as `Nevermore.'
But the raven, sitting lonely on the placid bust, spoke only,
That one word, as if his soul in that one word he did outpour.
Nothing further then he uttered - not a feather then he fluttered -
Till I scarcely more than muttered `Other friends have flown before -
On the morrow he will leave me, as my hopes have flown before.'
Then the bird said, `Nevermore.'
Startled at the stillness broken by reply so aptly spoken,
`Doubtless,' said I, `what it utters is its only stock and store,
Caught from some unhappy master whom unmerciful disaster
Followed fast and followed faster till his songs one burden bore -
Till the dirges of his hope that melancholy burden bore
Of "Never-nevermore."'
But the raven still beguiling all my sad soul into smiling,
Straight I wheeled a cushioned seat in front of bird and bust and door;
Then, upon the velvet sinking, I betook myself to linking
Fancy unto fancy, thinking what this ominous bird of yore -
What this grim, ungainly, ghastly, gaunt, and ominous bird of yore
Meant in croaking `Nevermore.'
This I sat engaged in guessing, but no syllable expressing
To the fowl whose fiery eyes now burned into my bosom's core;
This and more I sat divining, with my head at ease reclining
On the cushion's velvet lining that the lamp-light gloated o'er,
But whose velvet violet lining with the lamp-light gloating o'er,
She shall press, ah, nevermore!
Then, methought, the air grew denser, perfumed from an unseen censer
Swung by Seraphim whose foot-falls tinkled on the tufted floor.
`Wretch,' I cried, `thy God hath lent thee - by these angels he has sent thee
Respite - respite and nepenthe from thy memories of Lenore!
Quaff, oh quaff this kind nepenthe, and forget this lost Lenore!'
Quoth the raven, `Nevermore.'
`Prophet!' said I, `thing of evil! - prophet still, if bird or devil! -
Whether tempter sent, or whether tempest tossed thee here ashore,
Desolate yet all undaunted, on this desert land enchanted -
On this home by horror haunted - tell me truly, I implore -
Is there - is there balm in Gilead? - tell me - tell me, I implore!'
Quoth the raven, `Nevermore.'
`Prophet!' said I, `thing of evil! - prophet still, if bird or devil!
By that Heaven that bends above us - by that God we both adore -
Tell this soul with sorrow laden if, within the distant Aidenn,
It shall clasp a sainted maiden whom the angels named Lenore -
Clasp a rare and radiant maiden, whom the angels named Lenore?'
Quoth the raven, `Nevermore.'
`Be that word our sign of parting, bird or fiend!' I shrieked upstarting -
`Get thee back into the tempest and the Night's Plutonian shore!
Leave no black plume as a token of that lie thy soul hath spoken!
Leave my loneliness unbroken! - quit the bust above my door!
Take thy beak from out my heart, and take thy form from off my door!'
Quoth the raven, `Nevermore.'
And the raven, never flitting, still is sitting, still is sitting
On the pallid bust of Pallas just above my chamber door;
And his eyes have all the seeming of a demon's that is dreaming,
And the lamp-light o'er him streaming throws his shadow on the floor;
And my soul from out that shadow that lies floating on the floor
Shall be lifted - nevermore!
Edgar Allen Poe
Once upon a midnight dreary, while I pondered weak and weary,
Over many a quaint and curious volume of forgotten lore,
While I nodded, nearly napping, suddenly there came a tapping,
As of some one gently rapping, rapping at my chamber door.
`'Tis some visitor,' I muttered, `tapping at my chamber door -
Only this, and nothing more.'
Ah, distinctly I remember it was in the bleak December,
And each separate dying ember wrought its ghost upon the floor.
Eagerly I wished the morrow; - vainly I had sought to borrow
From my books surcease of sorrow - sorrow for the lost Lenore -
For the rare and radiant maiden whom the angels named Lenore -
Nameless here for evermore.
And the silken sad uncertain rustling of each purple curtain
Thrilled me - filled me with fantastic terrors never felt before;
So that now, to still the beating of my heart, I stood repeating
`'Tis some visitor entreating entrance at my chamber door -
Some late visitor entreating entrance at my chamber door; -
This it is, and nothing more,'
Presently my soul grew stronger; hesitating then no longer,
`Sir,' said I, `or Madam, truly your forgiveness I implore;
But the fact is I was napping, and so gently you came rapping,
And so faintly you came tapping, tapping at my chamber door,
That I scarce was sure I heard you' - here I opened wide the door; -
Darkness there, and nothing more.
Deep into that darkness peering, long I stood there wondering, fearing,
Doubting, dreaming dreams no mortal ever dared to dream before;
But the silence was unbroken, and the darkness gave no token,
And the only word there spoken was the whispered word, `Lenore!'
This I whispered, and an echo murmured back the word, `Lenore!'
Merely this and nothing more.
Back into the chamber turning, all my soul within me burning,
Soon again I heard a tapping somewhat louder than before.
`Surely,' said I, `surely that is something at my window lattice;
Let me see then, what thereat is, and this mystery explore -
Let my heart be still a moment and this mystery explore; -
'Tis the wind and nothing more!'
Open here I flung the shutter, when, with many a flirt and flutter,
In there stepped a stately raven of the saintly days of yore.
Not the least obeisance made he; not a minute stopped or stayed he;
But, with mien of lord or lady, perched above my chamber door -
Perched upon a bust of Pallas just above my chamber door -
Perched, and sat, and nothing more.
Then this ebony bird beguiling my sad fancy into smiling,
By the grave and stern decorum of the countenance it wore,
`Though thy crest be shorn and shaven, thou,' I said, `art sure no craven.
Ghastly grim and ancient raven wandering from the nightly shore -
Tell me what thy lordly name is on the Night's Plutonian shore!'
Quoth the raven, `Nevermore.'
Much I marvelled this ungainly fowl to hear discourse so plainly,
Though its answer little meaning - little relevancy bore;
For we cannot help agreeing that no living human being
Ever yet was blessed with seeing bird above his chamber door -
Bird or beast above the sculptured bust above his chamber door,
With such name as `Nevermore.'
But the raven, sitting lonely on the placid bust, spoke only,
That one word, as if his soul in that one word he did outpour.
Nothing further then he uttered - not a feather then he fluttered -
Till I scarcely more than muttered `Other friends have flown before -
On the morrow he will leave me, as my hopes have flown before.'
Then the bird said, `Nevermore.'
Startled at the stillness broken by reply so aptly spoken,
`Doubtless,' said I, `what it utters is its only stock and store,
Caught from some unhappy master whom unmerciful disaster
Followed fast and followed faster till his songs one burden bore -
Till the dirges of his hope that melancholy burden bore
Of "Never-nevermore."'
But the raven still beguiling all my sad soul into smiling,
Straight I wheeled a cushioned seat in front of bird and bust and door;
Then, upon the velvet sinking, I betook myself to linking
Fancy unto fancy, thinking what this ominous bird of yore -
What this grim, ungainly, ghastly, gaunt, and ominous bird of yore
Meant in croaking `Nevermore.'
This I sat engaged in guessing, but no syllable expressing
To the fowl whose fiery eyes now burned into my bosom's core;
This and more I sat divining, with my head at ease reclining
On the cushion's velvet lining that the lamp-light gloated o'er,
But whose velvet violet lining with the lamp-light gloating o'er,
She shall press, ah, nevermore!
Then, methought, the air grew denser, perfumed from an unseen censer
Swung by Seraphim whose foot-falls tinkled on the tufted floor.
`Wretch,' I cried, `thy God hath lent thee - by these angels he has sent thee
Respite - respite and nepenthe from thy memories of Lenore!
Quaff, oh quaff this kind nepenthe, and forget this lost Lenore!'
Quoth the raven, `Nevermore.'
`Prophet!' said I, `thing of evil! - prophet still, if bird or devil! -
Whether tempter sent, or whether tempest tossed thee here ashore,
Desolate yet all undaunted, on this desert land enchanted -
On this home by horror haunted - tell me truly, I implore -
Is there - is there balm in Gilead? - tell me - tell me, I implore!'
Quoth the raven, `Nevermore.'
`Prophet!' said I, `thing of evil! - prophet still, if bird or devil!
By that Heaven that bends above us - by that God we both adore -
Tell this soul with sorrow laden if, within the distant Aidenn,
It shall clasp a sainted maiden whom the angels named Lenore -
Clasp a rare and radiant maiden, whom the angels named Lenore?'
Quoth the raven, `Nevermore.'
`Be that word our sign of parting, bird or fiend!' I shrieked upstarting -
`Get thee back into the tempest and the Night's Plutonian shore!
Leave no black plume as a token of that lie thy soul hath spoken!
Leave my loneliness unbroken! - quit the bust above my door!
Take thy beak from out my heart, and take thy form from off my door!'
Quoth the raven, `Nevermore.'
And the raven, never flitting, still is sitting, still is sitting
On the pallid bust of Pallas just above my chamber door;
And his eyes have all the seeming of a demon's that is dreaming,
And the lamp-light o'er him streaming throws his shadow on the floor;
And my soul from out that shadow that lies floating on the floor
Shall be lifted - nevermore!
Edgar Allen Poe
maandag 5 juli 2010
Tijd voor een gedicht II
Liefde
Verleid me, verstik me,
pak m’n vrijheid af.
Bemin me, beperk me,
ga je gang, ik ben laf.
Je wil samensmelten,
- een onnozel idee -
Maar ik ben romantisch,
ik ga d’r in mee…
Kneed me en knecht me,
wees lief en gemeen.
Gun me de plek
van het blok aan je been.
Als jij mijn vrouw bent,
ben ik je man.
Dan vechten we samen,
voor dat wat niet kan.
We doen nóg meer water bij onze wijn,
totdat er alléén nog maar water zal zijn.
Helder maar smaakloos, geen kleur meer, geen gloed,
zo leven we samen, de dood tegemoet.
Weg met de eenzaamheid, leve de sleur,
jaloezie, irritatie, gesprekken, gezeur.
De liefde geeft hoop, de liefde heeft zin,
de liefde is een valstrik, maar ik trap er zo graag in.
Steeds dezelfde fouten,
steeds dezelfde pijn.
Bijna net zo gruwelijk,
als helemaal alleen te zijn.
Misschien is het deze keer anders,
misschien is het deze keer waar.
Is alle wijsheid van de wereld maar een fout,
ik wil het graag geloven, want ik houd zoveel van haar.
Het spel is weer begonnen,
ik zit er midden in.
Verslaafd als een verslaafde,
verzetten heeft geen zin.
Hans Teeuwen
Verleid me, verstik me,
pak m’n vrijheid af.
Bemin me, beperk me,
ga je gang, ik ben laf.
Je wil samensmelten,
- een onnozel idee -
Maar ik ben romantisch,
ik ga d’r in mee…
Kneed me en knecht me,
wees lief en gemeen.
Gun me de plek
van het blok aan je been.
Als jij mijn vrouw bent,
ben ik je man.
Dan vechten we samen,
voor dat wat niet kan.
We doen nóg meer water bij onze wijn,
totdat er alléén nog maar water zal zijn.
Helder maar smaakloos, geen kleur meer, geen gloed,
zo leven we samen, de dood tegemoet.
Weg met de eenzaamheid, leve de sleur,
jaloezie, irritatie, gesprekken, gezeur.
De liefde geeft hoop, de liefde heeft zin,
de liefde is een valstrik, maar ik trap er zo graag in.
Steeds dezelfde fouten,
steeds dezelfde pijn.
Bijna net zo gruwelijk,
als helemaal alleen te zijn.
Misschien is het deze keer anders,
misschien is het deze keer waar.
Is alle wijsheid van de wereld maar een fout,
ik wil het graag geloven, want ik houd zoveel van haar.
Het spel is weer begonnen,
ik zit er midden in.
Verslaafd als een verslaafde,
verzetten heeft geen zin.
Hans Teeuwen
woensdag 30 juni 2010
Tijd voor een gedicht
Funeral Blues
Stop all the clocks, cut off the telephone,
Prevent the dog from barking with a juicy bone,
Silence the pianos and with muffled drum
Bring out the coffin, let the mourners come.
Let aeroplanes circle moaning overhead
Scribbling on the sky the message He is Dead.
Put crepe bows round the white necks of the public doves,
Let the traffic policemen wear black cotton gloves.
He was my North, my South, my East and West,
My working week and my Sunday rest,
My noon, my midnight, my talk, my song;
I thought that love would last forever: I was wrong.
The stars are not wanted now; put out every one,
Pack up the moon and dismantle the sun,
Pour away the ocean and sweep up the woods;
For nothing now can ever come to any good.
W.H. Auden
Stop all the clocks, cut off the telephone,
Prevent the dog from barking with a juicy bone,
Silence the pianos and with muffled drum
Bring out the coffin, let the mourners come.
Let aeroplanes circle moaning overhead
Scribbling on the sky the message He is Dead.
Put crepe bows round the white necks of the public doves,
Let the traffic policemen wear black cotton gloves.
He was my North, my South, my East and West,
My working week and my Sunday rest,
My noon, my midnight, my talk, my song;
I thought that love would last forever: I was wrong.
The stars are not wanted now; put out every one,
Pack up the moon and dismantle the sun,
Pour away the ocean and sweep up the woods;
For nothing now can ever come to any good.
W.H. Auden
zondag 16 mei 2010
Write Now!
Mijn broer, de oppergod der Vlaamse letteren in spé, had zich ingeschreven voor een schrijfwedstrijd die zich spreid over Nederland en België. De uitreiking van de halve finale vond plaats in het Arca Theater te Gent. Genomineerden mochten gasten meenemen dus besloot ik maar mee te gaan.
Ik was nog nooit naar het Arca Theater gegaan dus ik was best wel benieuwd. Het bleek te gaan om een best gezellige zaal zonder veel franjes. Het duurde even voor het spektakel begon maar toen werden de lichten gedimd.
Een presentator, van wie mij de naam even ontsnapt, stelde zichzelf voor en somde even op wat er die avond op het programma stond. Zijn job bestond erin om de avond zo lang mogelijk te rekken. Dit deed hij door het begin van een mop te vertellen maar de clue niet. Voor de eigenlijke prijzen werden uitgereikt stonden er nog verschillende optredens op het programma.
Eerst zagen we een filmpje gebaseerd op een gedicht van Ramsey Nasr. Ik kon van dit filmpje maar weinig opmaken. Op naar het volgende dan maar. Auteur Christophe Vekeman kwam een kortverhaal en een gedicht voorbrengen. Ik was aangenaam verrast en ben van plan in de toekomst wel eens een boek van hem te lezen. Na zijn “lezing” volgde nog een klein interview met stereotype antwoorden. Toen was het tijd voor een streepje muziek. De nog jonge Ruben Focketyn, voor mij nog volkomen onbekend, stapte het podium op en nam zijn akoestische gitaar ter hand. De geluiden die uit zijn klankkast rolden konden mij best wel bekoren. Mijn broer merkte nog op dat zijn stem verdacht veel op die van Damien Rice leek. En inderdaad als je echt goed luisterde kon je Damien Rice wel horen.
Toen kwam uiteindelijk de prijsuitreiking. De spanning in de zaal was te snijden. De eerste naam werd afgeroepen voor de 3de plaats. Deze jongeman bleek zowaar een heel toneelstuk te hebben geschreven. Niet mijn broer dus. Toen gevraagd werd of de jongen even naar voor wou komen bleef het muisstil in de zaal. De jongen bleek zijn kat gestuurd te hebben. De 2de prijs dan maar. Deze keer was het een meisje. Zij zat wel in de zaal en kwam naar voor. Het grote moment was aangebroken. Wie mag naar de finale in Rotterdam en krijgt de grootste boekenbon ( De 2de en 3de plaats kregen een boekenbon)? Wederom werd de naam van een jongedame afgeroepen. Mijn broer viel dus niet in de prijzen. Tot overmaat van ramp was de winnares niet komen opdagen. Enkele vrienden zaten wel in de zaal en 1 van hen nam de prijs in ontvangst. Blijkbaar moest de winnares van haar leerkracht Nederlands meedoen. Niet alleen zij natuurlijk ook haar klasmaatjes. Eerst werd de dichteres geïnterviewd en daarna de klasgenoot van de winnares. Het was een raar interview want ze wist niet teveel van het verhaal af. De “winnaars” mochten terug naar hun plaats gaan en de presentator las het winnende stuk voor. Het was een Saw-achtig(horror film) verhaal. Iedereen verliet de zaal en kreeg nog een boekje mee met al de winnende stukken. Het verhaal en de gedichten heb ik ondertussen al gelezen maar aan het Shakespeariaans toneel begin ik zelfs niet. Het was een geslaagde avond.
Ik was nog nooit naar het Arca Theater gegaan dus ik was best wel benieuwd. Het bleek te gaan om een best gezellige zaal zonder veel franjes. Het duurde even voor het spektakel begon maar toen werden de lichten gedimd.
Een presentator, van wie mij de naam even ontsnapt, stelde zichzelf voor en somde even op wat er die avond op het programma stond. Zijn job bestond erin om de avond zo lang mogelijk te rekken. Dit deed hij door het begin van een mop te vertellen maar de clue niet. Voor de eigenlijke prijzen werden uitgereikt stonden er nog verschillende optredens op het programma.
Eerst zagen we een filmpje gebaseerd op een gedicht van Ramsey Nasr. Ik kon van dit filmpje maar weinig opmaken. Op naar het volgende dan maar. Auteur Christophe Vekeman kwam een kortverhaal en een gedicht voorbrengen. Ik was aangenaam verrast en ben van plan in de toekomst wel eens een boek van hem te lezen. Na zijn “lezing” volgde nog een klein interview met stereotype antwoorden. Toen was het tijd voor een streepje muziek. De nog jonge Ruben Focketyn, voor mij nog volkomen onbekend, stapte het podium op en nam zijn akoestische gitaar ter hand. De geluiden die uit zijn klankkast rolden konden mij best wel bekoren. Mijn broer merkte nog op dat zijn stem verdacht veel op die van Damien Rice leek. En inderdaad als je echt goed luisterde kon je Damien Rice wel horen. Toen kwam uiteindelijk de prijsuitreiking. De spanning in de zaal was te snijden. De eerste naam werd afgeroepen voor de 3de plaats. Deze jongeman bleek zowaar een heel toneelstuk te hebben geschreven. Niet mijn broer dus. Toen gevraagd werd of de jongen even naar voor wou komen bleef het muisstil in de zaal. De jongen bleek zijn kat gestuurd te hebben. De 2de prijs dan maar. Deze keer was het een meisje. Zij zat wel in de zaal en kwam naar voor. Het grote moment was aangebroken. Wie mag naar de finale in Rotterdam en krijgt de grootste boekenbon ( De 2de en 3de plaats kregen een boekenbon)? Wederom werd de naam van een jongedame afgeroepen. Mijn broer viel dus niet in de prijzen. Tot overmaat van ramp was de winnares niet komen opdagen. Enkele vrienden zaten wel in de zaal en 1 van hen nam de prijs in ontvangst. Blijkbaar moest de winnares van haar leerkracht Nederlands meedoen. Niet alleen zij natuurlijk ook haar klasmaatjes. Eerst werd de dichteres geïnterviewd en daarna de klasgenoot van de winnares. Het was een raar interview want ze wist niet teveel van het verhaal af. De “winnaars” mochten terug naar hun plaats gaan en de presentator las het winnende stuk voor. Het was een Saw-achtig(horror film) verhaal. Iedereen verliet de zaal en kreeg nog een boekje mee met al de winnende stukken. Het verhaal en de gedichten heb ik ondertussen al gelezen maar aan het Shakespeariaans toneel begin ik zelfs niet. Het was een geslaagde avond.
maandag 5 april 2010
Een Buitenkans
Laatst kreeg ik de opdracht op school een einde te schrijven voor een kortverhaal. We kregen het begin van het verhaal en we mochten zelf een einde verzinnen. Het moest minimum 15 lijntjes lang zijn en ik heb anderhalve pagina geschreven. Ik dacht dat we het in de klas gewoon moesten afgeven maar toen bleek dat we het ook nog eens moesten voorlezen. Niet iedereen moest zijn verhaal voorlezen maar u raad het al ik werd er weer uitgekozen. Ik las mijn verhaal voor en toen werd het stil in de klas. Nadat ik gelezen had kreeg ik tal van positieve reacties. Ik vroeg mij nu ook af of het echt zo goed was. Hieronder vind je de originele tekst van Harry Commijs in het cursief terug. Mijn einde zal ik er dan onder zetten. Gelieve te zeggen wat je er van vond
Om even vijf uur, iets later dan anders, hoorde ze het tuinhek klapperen. Daar was hij dan eindelijk. Zittend aan de keukentafel, met haar rug naar het raam, luisterde ze naar de bekende geluiden van elke dag als hij terugkwam van de volkstuin. Ze hoefde niet te kijken om te weten wat er gebeurde. Eerst zette hij z'n fiets tegen het hek. Dan laadde hij de fietstassen uit, goedkeurend fluitend om zijn zelfgekweekte groenten. Die legde hij even op de tuintafel. Ze hoorde de schuurdeur open gaan. Z'n fiets zette hij nu in het zelfgemaakte fietsenrek. Vervolgens bleef het enkele minuten stil. Ze wist precies wat hij deed. Verborgen achter een roestig blik, vol met schroeven en moertjes die ooit nog eens nuttig konden zijn, lag zijn pakje shag. Twee jaar geleden had hij gezworen nooit meer te zullen roken. Maar ze kende z'n zwakheid: snel draaide hij nu een sigaret, zoog zijn longen vol met rook en genoot enige minuten van zijn zonde. Dan doofde hij zijn sigaret in de aarde van een bloempot en verpulverde hij de peuk boven de compostbak. Alle sporen werden uitgewist. Nu kwam hij weer naar buiten. Hij draaide de schuurdeur op slot, pakte de groenten van de tuintafel en liep naar de keukendeur. "Weer een mooie oogst vandaag", zou zijn traditionele begroeting zijn.
"Weer een mooie oogst vandaag". Hij legde twee kroppen sla op het aanrecht. "Je bent laat."
"Even blijven kletsen met de buurman op de tuin. Hij heeft bonen gezaaid maar er komt niks uit de grond." "Ga zitten", zei ze. Bram Zondervan, 72 jaar en nog vitaal genoeg om de hele dag wat om handen te hebben, schoof aan en keek een tikje ongerust naar zijn vrouw. "Er is toch niks?" vroeg hij. Hij zag dat ze nerveus was, dat ze anders dan anders reageerde. Volgend jaar zouden ze vijftig jaar getrouwd zijn; ze kenden elkaar door en door. "Is er geen koffie?" Bet, zijn vrouw stond zwijgend op en liep naar het aanrecht. "Vergeten?" Hij lachte. "Niks voor jou om te vergeten koffie te zetten." Ze zette het koffieapparaat aan en wreef zenuwachtig met haar handen
langs haar gezicht. "De buurman is dood", zei ze plompverloren. Geschrokken draaide Bram Zondervan zich om. "Je bedoelt… "Ja. Henk. De buurman." "Hoe dat zo ineens, zo plotseling…"
Ze ging weer zitten. "Hij zat in z'n stoel en ik dacht eerst dat hij sliep. Gebeurt wel vaker als ik
binnenkom, maar dan schrikt hij meestal wakker. Maar nu niet. En toen zag ik dat hij niet meer leefde." "Jij hebt hem gevonden", zei Bram verschrikt.
Bet knikte.
Twee keer per week kwam Bet Zondervan bij de buurman. Een vast ritueel. Ze deed de schaarse boodschappen die de eenzame man nodig had. Een gebaar van burenplicht waar ze niet eens meer over nadacht, want zo ging het al jaren. Henk Hasselaar woonde alleen in het kleine hoekhuisje en hij kwam nooit meer op straat. Een paar keek per week kwam er iemand van thuiszorg,
zodat hij niet zou verloederen en dan was er de stilzwijgende afspraak dat Bet zijn boodschappen deed en een oogje in het zeil hield. Deze middag was Bet op haar vaste tijd naar Albert Heijn geweest en ze fietste terug naar de buurman om de boodschappen af te leveren. Ze bereidde zich voor op de gewone gang van zaken. Ze zou de boodschappen in de keuken zetten, ze deed het wisselgeld in zijn portemonnee en ze zou even gaan zitten om te luisteren naar de bekende
verhalen die hij te vertellen had. Henk Hasselaar liep al tegen de tachtig, hij was slecht ter been en bijna altijd humeurig. Hij had nog nooit bedankt voor de boodschappen; als hij
Bet in het vizier kreeg, stak hij meteen van wal. Nooit sprak hij over zichzelf, altijd had hij het over de wereld buiten die hij alleen binnenkreeg via de televisie. Op het moment dat ze binnenkwam zat de buurman in z'n zware, versleten leunstoel met z'n wandelstok bij de hand. Het stonk er naar sigarenrook en zweet. Hasselaar zat schuin weggezakt in de stoel, z'n hoofd op de leuning en z'n mond hing een tikje open. "Hallo buurman", riep Bet terwijl ze naar de keuken liep. Ze draaide zich om toen hij niet reageerde. Meestal ontwaakte hij uit z'n hazenslaapje als ze binnenkwam, maar nu bleef hij roerloos zitten. "Hallo", riep Bet weer. Ze deed een stap dichterbij en plotseling bekroop haar het gevoel dat er iets niet in orde was. Zo roerloos zat hij. Er hing een sliert speeksel uit z'n mond en o, lieve God, zag Bet, z'n borstkas bewoog niet meer. "Buurman toch", riep ze. Ze liep naar de telefoon, maar besefte meteen dat het zinloos was, de telefoon was weken geleden afgesloten, vanwege één van de vele conflicten die Hasselaar met de buitenwereld had. Dan maar naar huis om te bellen. In het nauwe halletje voor de voordeur struikelde ze over een forse weekendtas. Een deel van dit inhoud gleed op de vloer. Verbijsterd bleef Bet Zondervan staan.
"Dus je hebt thuis de dokter gebeld", zei Bram. "En toen?" "Ik ben weer terug gegaan. De dokter was er in tien minuten. Ik heb in de hal gewacht, want ik vond het eng om alleen in die kamer te zijn met die dode man." "Tjonge", zei Bram, "'t is wat." Hij leek niet al te zeer onder de indruk te
zijn van de plotselinge dood van z'n buurman. 'Hij was oud. En een zeurpiet". Bet reageerde niet op zijn opmerking. "Het is vreemd, heel vreemd", zei ze. “'t Is niet zo vreemd dat ouwe mensen doodgaan." "Daar gaat het niet om", zei Bet. Ze stond op om koffie in te schenken. "Toen ik thuis wilde gaan bellen, struikelde ik in de hal over een weekendtas. "Bram Zondervan wachtte op een nadere verklaring. Maar Bet zei niks. Ze opende de grote keukenkast waarin alle schoonmaakspullen stonden, haalde de weekendtas er uit en zette die met enige moeite op tafel.
"Kijk maar", zei ze. Hij keek in de tas. "God zal me liefhebben!" Bram Zondervan keerde de tas om en op de keukentafel dwarrelden meer bankbiljetten dan hij ooit in zijn leven gezien had.
Bet had de tas opgepakt, de bankbiljetten die er uitgevallen waren er weer in gepropt en ze was snel naar huis gelopen. Met haar jas nog aan was ze op de bank gaan zitten, want haar hart klopte
zo onstuimig, dat ze even op adem moest komen. Er flitste van alles door haar hoofd. Een oude, zonderlinge man die zomaar ineens was doodgebleven, een tas met geld die slordig in het halletje stond en het was veel geld, zonder het te tellen wist ze dat het een klein vermogen. Wat moest ze nu doen? Ze had in een opwelling de tas opgepakt. Nu had ze een daad verricht waarvan ze de consequenties niet kon overzien. Moest ze het terug brengen? Gewoon weer neerzetten? Of moest ze er mee naar de politie? Zoveel geld! Wie zou het missen? De oude Henk Hasselaar in ieder geval niet meer. Waarom stond het geld in de hal? Had hij steeds verborgen gehouden en wilde hij er nu iets mee? Hoe kon het dat hij zoveel geld had! Ze wist niet beter of hij kreeg elke
maand zijn AOW en een klein pensioentje. Toch, je hoorde die verhalen wel vaker, mensen van wie je het nooit verwachtte, bleken steenrijk te zijn als ze waren overleden. Ze pakte de tas op en zette die achter de schoonmaakspullen in het keukenkastje. Na nog even diep ademgehaald te hebben, belde ze de dokter.
De keukentafel lag bezaaid met bankbiljetten: vrijwel allemaal briefjes van tien, twintig en vijftig euro. Bram Zondervan sorteerde de biljetten. Zonder iets te zeggen maakte hij stapeltjes, alsof hij dat al jaren gewend was. Bet vond het een onwezenlijk gezicht. Niet alleen de groeiende stapels, maar ook de werktuiglijkheid waarmee Bram de biljetten verdeelde. “Dit is heel veel geld”, zei hij uiteindelijk, toen hij het laatste biljet van vijftig euro op een stapeltje legde. Hij wreef in z’n handen. “Nu gaan we tellen”, zei hij. Wil jij het even noteren?” Bet pakte het bloknootje waar ze normaal haar boodschappen in op schreef. Ze giechelde zenuwachtig. “Nou begin maar,” zei ze.
Op dat moment werd er aan de deur gebeld.
“Niet open doen,” snauwde Bram tegen zijn vrouw. Met twee handen begon hij razendsnel de bankbiljetten terug te vegen in de tas. Bet was naar het raam gelopen en ze gluurde door de luxaflex naar buiten. “Er staat politie voor de deur,” zei ze paniekerig. “O lieve God, ze weten het
natuurlijk.” “Kalm nou,” zei Bram. Hij ritste de tas dicht en duwde die uit het zicht, achter een fauteuil. Opnieuw ging de deurbel. “Wat moeten we doen? Wat moeten we doen?” jammerde Bet, “We kunnen ze niet laten staan, ze komen vast weer terug.” “Doe nu maar open,” zei Bram kalm. Trillend over haar hele lijf liep ze naar de deur. Twee politiemensen, een man en een vrouw, vulden ineens de kamer. “Sorry dat we u lastig vallen,” zei de vrouwelijke agent, “maar we willen even wat vragen.” “Gaat u zitten,” zei Bet. Ze probeerde de paniek te bedwingen, zo gewoon mogelijk te doen. De agenten namen plaats op de bank. “Als we het goed hebben,” zei de jonge agent, terwijl hij door zijn notitieboekje bladerde, “was u vanmiddag in het huis van mijnheer Hasselaar.” Hij keek naar Bet en glimlachte vriendelijk. Ze knikte. “Ik doe altijd de boodschappen en nou vanmiddag…” ze hapte naar adem. “Ik snap het mevrouw,” zei de agent, “ ’t Is nooit leuk om iemand dood aan te treffen in zijn huis.” “Hoe laat was het dat u de boodschappen bracht?” vroeg de andere agent. Ze had haar hoedje afgedaan en dankzij de blonde krullen die daar onder vandaan kwamen, leek ze een stuk minder bedreigend. “Een uur of drie,” zei Bet. “Weet u,” de agente aarzelde even, “Mijnheer Hasselaar is niet zomaar dood gegaan. Hij is vermoord.” Het bleef even doodstil in de kamer. Bet voelde dat haar wangen gloeiden. Ze kon geen woord uitbrengen. De andere agent keek haar even aan en zei: “Weest u gerust mevrouw. We verdenken u nergens van. We hebben de dader namelijk al.” De agente nam het weer over. “Een beetje triest eigenlijk,” zei ze. “Mijnheer is vermoord door zijn eigen kleinzoon. Een goede bekende van ons, overigens. Hij heeft gisterenmorgen een supermarkt overvallen en is op de vlucht geslagen met de buit. We hadden hem in het vizier, maar hij wist te ontkomen. Zoals nu blijkt is hij naar het huis van zijn opa gevlucht, om zich daar te verstoppen.” Ze keek naar Bet. “Maar zijn opa wilde hem niet binnen laten. Hij was blijkbaar niet zo dol op zijn kleinzoon.”
Bet zat kaarsrecht op haar stoel. Ze voelde de ogen van Bram in haar rug branden. “Hij heeft de keukendeur geforceerd,” zei de agente, “En is hij dus toch binnengekomen. Maar zijn opa wilde dat hij onmiddellijk wegging, hij schijnt hem zelfs geslagen te hebben met zijn wandelstok. Toen is onze jongeman door het lint gegaan en heeft hij de oude man de keel dicht geknepen.” “Je gelooft het toch niet,” kon Bet uitbrengen. “Hij gelooft het eigenlijk zelf nog niet,” zei de andere agent. “Hij heeft zich eind van de middag zelf gemeld bij ons.” Er viel opnieuw een stilte.
“We moeten u nog iets vragen, mevrouw,” zei de agente. “Deze jongeman beweert dat hij de buit van de overval heeft achtergelaten in het huis van zijn opa. Dus u snapt het wel: hebt u iets gevonden? Een tas met geld?” Bet voelde de ogen van Bram in haar rug. Ze zag de vragende blikken van de agenten. “Nee,” zei ze. Haar hart ging als een razende tekeer. De agenten knikten.
“Dat dachten we wel. Dit is een heel slim jongetje. Hij wist dat we hem vandaag of morgen op zouden pakken. En toen hij zijn opa om het leven heeft gebracht wist hij natuurlijk ook dat zijn buit daar niet meer veilig was. Hij heeft tijd genoeg gehad om zijn buit ergens anders te verstoppen.” Ze stonden op. De agente haalde een visitekaartje uit haar borstzak en gaf
het aan Bet. “Als u nog iets wil weten, of als u ons nog wat wil vertellen, bel me gerust,”
zei ze. “Dank u,” zei Bet. Toen ze verdwenen waren deed Bet meteen de deur op het nachtslot.
“We moeten dat geld teruggeven,” zei ze tegen Bram die nog steeds zwijgend aan tafel zat. “We komen in de grootste problemen. Denk jij dat ze ons geloven? Morgen staan ze vast weer voor de deur.” Ze drentelde zenuwachtig naar de keuken, zonder te weten wat ze daar moest doen. “Rustig nou maar,” zei Bram. “Ga nou even zitten.” Bet pakte het visitekaartje van de agente en legde het naast de telefoon. “Morgenochtend zal ik bellen.” “We bellen helemaal niet,” zei Bram resoluut. “We moeten er alleen voor zorgen dat het geld het huis uit is.” Bet staarde hem aan. “Jij wilt dat geld houden? Het is gestolen geld! We draaien de gevangenis in!” “Zo’n vaart zal het niet lopen,” zei Bram. “Als we maar rustig blijven en het verstandig aanpakken.” “We kunnen dat geld niet houden,” fluisterde ze, “dat kan toch niet?” Alles wat er vandaag gebeurde en gebeurd was spookte door haar hoofd. Ze kon niet meer helder denken. De dood van de buurman, de tas met geld, maar zeker ook de verbazingwekkende koelbloedigheid van Bram, dat alles bracht haar hevig van haar stuk. “Wat was ook weer je allerliefste wens?” vroeg Bram. Ze zweeg. “Nou?” drong Bram aan. “Je wilt toch zo graag op bezoek bij je zus in Australië?” Bet sloeg haar handen voor haar gezicht en barstte in snikken uit.
Bram had het geld overgeheveld in twee stevige vuilniszakken. Ze pasten maar net in de fietstassen. “We wachten tot het helemaal donker is,” zei hij. “Dan fietsen we rustig
naar de tuin.” Bet liet het allemaal gebeuren. Ze had niet meer tegengesputterd toen
Bram zei dat ze nooit meer zo’n buitenkans zouden krijgen. En dat die supermarkt waar dat geld vandaan kwam, goed verzekerd was. Hij had uitgelegd wat hij van plan was. Achter de schuur in de volkstuin was nog een braakliggend stukje grond. Daar zouden ze het geld begraven. Tijdelijk, natuurlijk. Tot alle aandacht rond deze affaire was verflauwd. In de schuur lag nog een stuk landbouwplastic, dat zou het geld wel een paar weken droog houden. En als de kust veilig genoeg was, zouden ze dat geld wel eens op hun gemak gaan tellen. Simpel plan, meende Bram. Rond half tien achtte hij het donker genoeg en stapten ze op de fiets. “Ik graaf die kuil wel,” zei Bram. “En jij moet maar een beetje op de uitkijk staan.” Hij lachte. Voor het eerst, dacht Bet, deden ze iets wat eigenlijk een misdaad was.
Wat de politie niet wist is dat Eduardo, de kleinzoon van Hasselaar, een kompaan had. Zijn kompaan heet Leodolf. Leodolf is de zoon van Bram en Bet. Er was een zekere rolverdeling tussen de twee. Leodolf was het brein terwijl Eduardo eerder de uitvoerder was. Dit bleek ook tijdens de overval. Tijdens de overval wachtte hij in de vluchtauto. Leodolf had een masker opgezet maar Eduardo niet. Tot overmaat van ramp bestolen de twee de winkel waar Janneman, de andere zoon van Bet en Bram, werkte te overvallen.
Toen Leodolf het nieuws vernam dat Eduardo was opgepakt voor moord en zijn bloedeigen moeder het lijk had ontdekt besloot hij daar eens te informeren. Hij had één probleem. Janneman had hem gezien. Hij moest er voor zorgen dat zijn broer niet ging klikken. Hij besloot hem met een bezoekje te vereren. Toen Janneman de voordeur open deed en zijn broer zag staan gooide hij de deur weer dicht en rende naar de telefoon. Leodolf beukte de deur in. Hij kon hem makkelijk overmeesteren. Hij bond hem vast en gooide hem in de kleerkast. Toen ging hij naar zijn ouders.
Bet en Bram wisten nog van niets. Toen ze de bel hoorden dachten ze dat het weer de politie was. Maar tot hun eigen verbazing was het Leodolf die voor de deur stond. Hij vroeg wat er gebeurd was. Bet vertelde het relaas. Ze besloten hem ook te vertellen waar het geld verstopt lag. Toen werd er weer op de deur geklopt. Bet ging open doen. Janneman stond voor de deur.
Toen Leodolf was weggegaan uit het appartement van Janneman werd hij al snel bevrijd. Hij had die avond afgesproken met Guust. Guust was een oude kameraad van hem en tevens politieman. Hij zag dat de deur geforceerd was en ging op inspectie in het huis. Janneman hoorde iets in de woonkamer en probeerde geluid te maken. Zo werd hij gevonden door Guust. Janneman vertelde zijn verhaal toen aan Guust.
Bet en Janneman wandelden de woonkamer binnen. Leodolf trok lijkbleek weg toen hij zijn broer zag binnenwandelen. Hij begon te zweten en te stotteren. “Wat is er?” vroeg Bet. Niets zei Leodolf.” Er is wel iets!” zei Janneman. Hij daar heeft de winkel waar ik werk overvallen! Hij deed het samen met Eduardo Hasselaar. Bet kon het niet meer aan en viel flauw. Janneman en Bram schoten haar ter hulp. Hier maakte Leodolf handig gebruik van om te ontsnappen. Hij wist echter niet dat het huis omsingeld was door de politie. Voor Janneman naar hier kwam had Guust het hele politiekorps opgetrommeld. Leodolf riep recht in de armen van politie.
Ondertussen hadden Bram en Janneman een ambulance opgebeld. De ambulance was snel ter plaatsen en kon Bet naar het ziekenhuis brengen. Leodolf werd naar het politiebureau gebracht waar ook Eduardo verbleef.
Na een kort verblijf in het ziekenhuis was Bet weer aan betere hand. Een paar dagen later kwam het proces van Leodolf voor. Het gezin had besloten collectief tegen hem te getuigen. Toen ze aankwamen in het gerechtsgebouw was het één grote chaos. Iemand van het gerechtsgebouw kwam naar hen toegelopen. Hij zei dat de truck die Eduardo en Leodolf naar hier moest brengen was gecrasht. Van de inzittenden heeft er maar één iemand het ongeval overleefd. Meer weten we nog niet.
De GSM van de man ging. Het gesprek duurde nog minder dan een minuut. Een van de gangster is ontsnapt. Maar we weten niet wie. Bet viel weer flauw en stootte haar hoofd hard tegen de koude vloer van het gerechtsgebouw. Er kwam een beetje bloed op de vloer. Bram hield zijn vrouw vast terwijl Janneman een ambulance ging bellen. Alle hulp lijkt te laat.
Om even vijf uur, iets later dan anders, hoorde ze het tuinhek klapperen. Daar was hij dan eindelijk. Zittend aan de keukentafel, met haar rug naar het raam, luisterde ze naar de bekende geluiden van elke dag als hij terugkwam van de volkstuin. Ze hoefde niet te kijken om te weten wat er gebeurde. Eerst zette hij z'n fiets tegen het hek. Dan laadde hij de fietstassen uit, goedkeurend fluitend om zijn zelfgekweekte groenten. Die legde hij even op de tuintafel. Ze hoorde de schuurdeur open gaan. Z'n fiets zette hij nu in het zelfgemaakte fietsenrek. Vervolgens bleef het enkele minuten stil. Ze wist precies wat hij deed. Verborgen achter een roestig blik, vol met schroeven en moertjes die ooit nog eens nuttig konden zijn, lag zijn pakje shag. Twee jaar geleden had hij gezworen nooit meer te zullen roken. Maar ze kende z'n zwakheid: snel draaide hij nu een sigaret, zoog zijn longen vol met rook en genoot enige minuten van zijn zonde. Dan doofde hij zijn sigaret in de aarde van een bloempot en verpulverde hij de peuk boven de compostbak. Alle sporen werden uitgewist. Nu kwam hij weer naar buiten. Hij draaide de schuurdeur op slot, pakte de groenten van de tuintafel en liep naar de keukendeur. "Weer een mooie oogst vandaag", zou zijn traditionele begroeting zijn.
"Weer een mooie oogst vandaag". Hij legde twee kroppen sla op het aanrecht. "Je bent laat."
"Even blijven kletsen met de buurman op de tuin. Hij heeft bonen gezaaid maar er komt niks uit de grond." "Ga zitten", zei ze. Bram Zondervan, 72 jaar en nog vitaal genoeg om de hele dag wat om handen te hebben, schoof aan en keek een tikje ongerust naar zijn vrouw. "Er is toch niks?" vroeg hij. Hij zag dat ze nerveus was, dat ze anders dan anders reageerde. Volgend jaar zouden ze vijftig jaar getrouwd zijn; ze kenden elkaar door en door. "Is er geen koffie?" Bet, zijn vrouw stond zwijgend op en liep naar het aanrecht. "Vergeten?" Hij lachte. "Niks voor jou om te vergeten koffie te zetten." Ze zette het koffieapparaat aan en wreef zenuwachtig met haar handen
langs haar gezicht. "De buurman is dood", zei ze plompverloren. Geschrokken draaide Bram Zondervan zich om. "Je bedoelt… "Ja. Henk. De buurman." "Hoe dat zo ineens, zo plotseling…"
Ze ging weer zitten. "Hij zat in z'n stoel en ik dacht eerst dat hij sliep. Gebeurt wel vaker als ik
binnenkom, maar dan schrikt hij meestal wakker. Maar nu niet. En toen zag ik dat hij niet meer leefde." "Jij hebt hem gevonden", zei Bram verschrikt.
Bet knikte.
Twee keer per week kwam Bet Zondervan bij de buurman. Een vast ritueel. Ze deed de schaarse boodschappen die de eenzame man nodig had. Een gebaar van burenplicht waar ze niet eens meer over nadacht, want zo ging het al jaren. Henk Hasselaar woonde alleen in het kleine hoekhuisje en hij kwam nooit meer op straat. Een paar keek per week kwam er iemand van thuiszorg,
zodat hij niet zou verloederen en dan was er de stilzwijgende afspraak dat Bet zijn boodschappen deed en een oogje in het zeil hield. Deze middag was Bet op haar vaste tijd naar Albert Heijn geweest en ze fietste terug naar de buurman om de boodschappen af te leveren. Ze bereidde zich voor op de gewone gang van zaken. Ze zou de boodschappen in de keuken zetten, ze deed het wisselgeld in zijn portemonnee en ze zou even gaan zitten om te luisteren naar de bekende
verhalen die hij te vertellen had. Henk Hasselaar liep al tegen de tachtig, hij was slecht ter been en bijna altijd humeurig. Hij had nog nooit bedankt voor de boodschappen; als hij
Bet in het vizier kreeg, stak hij meteen van wal. Nooit sprak hij over zichzelf, altijd had hij het over de wereld buiten die hij alleen binnenkreeg via de televisie. Op het moment dat ze binnenkwam zat de buurman in z'n zware, versleten leunstoel met z'n wandelstok bij de hand. Het stonk er naar sigarenrook en zweet. Hasselaar zat schuin weggezakt in de stoel, z'n hoofd op de leuning en z'n mond hing een tikje open. "Hallo buurman", riep Bet terwijl ze naar de keuken liep. Ze draaide zich om toen hij niet reageerde. Meestal ontwaakte hij uit z'n hazenslaapje als ze binnenkwam, maar nu bleef hij roerloos zitten. "Hallo", riep Bet weer. Ze deed een stap dichterbij en plotseling bekroop haar het gevoel dat er iets niet in orde was. Zo roerloos zat hij. Er hing een sliert speeksel uit z'n mond en o, lieve God, zag Bet, z'n borstkas bewoog niet meer. "Buurman toch", riep ze. Ze liep naar de telefoon, maar besefte meteen dat het zinloos was, de telefoon was weken geleden afgesloten, vanwege één van de vele conflicten die Hasselaar met de buitenwereld had. Dan maar naar huis om te bellen. In het nauwe halletje voor de voordeur struikelde ze over een forse weekendtas. Een deel van dit inhoud gleed op de vloer. Verbijsterd bleef Bet Zondervan staan.
"Dus je hebt thuis de dokter gebeld", zei Bram. "En toen?" "Ik ben weer terug gegaan. De dokter was er in tien minuten. Ik heb in de hal gewacht, want ik vond het eng om alleen in die kamer te zijn met die dode man." "Tjonge", zei Bram, "'t is wat." Hij leek niet al te zeer onder de indruk te
zijn van de plotselinge dood van z'n buurman. 'Hij was oud. En een zeurpiet". Bet reageerde niet op zijn opmerking. "Het is vreemd, heel vreemd", zei ze. “'t Is niet zo vreemd dat ouwe mensen doodgaan." "Daar gaat het niet om", zei Bet. Ze stond op om koffie in te schenken. "Toen ik thuis wilde gaan bellen, struikelde ik in de hal over een weekendtas. "Bram Zondervan wachtte op een nadere verklaring. Maar Bet zei niks. Ze opende de grote keukenkast waarin alle schoonmaakspullen stonden, haalde de weekendtas er uit en zette die met enige moeite op tafel.
"Kijk maar", zei ze. Hij keek in de tas. "God zal me liefhebben!" Bram Zondervan keerde de tas om en op de keukentafel dwarrelden meer bankbiljetten dan hij ooit in zijn leven gezien had.
Bet had de tas opgepakt, de bankbiljetten die er uitgevallen waren er weer in gepropt en ze was snel naar huis gelopen. Met haar jas nog aan was ze op de bank gaan zitten, want haar hart klopte
zo onstuimig, dat ze even op adem moest komen. Er flitste van alles door haar hoofd. Een oude, zonderlinge man die zomaar ineens was doodgebleven, een tas met geld die slordig in het halletje stond en het was veel geld, zonder het te tellen wist ze dat het een klein vermogen. Wat moest ze nu doen? Ze had in een opwelling de tas opgepakt. Nu had ze een daad verricht waarvan ze de consequenties niet kon overzien. Moest ze het terug brengen? Gewoon weer neerzetten? Of moest ze er mee naar de politie? Zoveel geld! Wie zou het missen? De oude Henk Hasselaar in ieder geval niet meer. Waarom stond het geld in de hal? Had hij steeds verborgen gehouden en wilde hij er nu iets mee? Hoe kon het dat hij zoveel geld had! Ze wist niet beter of hij kreeg elke
maand zijn AOW en een klein pensioentje. Toch, je hoorde die verhalen wel vaker, mensen van wie je het nooit verwachtte, bleken steenrijk te zijn als ze waren overleden. Ze pakte de tas op en zette die achter de schoonmaakspullen in het keukenkastje. Na nog even diep ademgehaald te hebben, belde ze de dokter.
De keukentafel lag bezaaid met bankbiljetten: vrijwel allemaal briefjes van tien, twintig en vijftig euro. Bram Zondervan sorteerde de biljetten. Zonder iets te zeggen maakte hij stapeltjes, alsof hij dat al jaren gewend was. Bet vond het een onwezenlijk gezicht. Niet alleen de groeiende stapels, maar ook de werktuiglijkheid waarmee Bram de biljetten verdeelde. “Dit is heel veel geld”, zei hij uiteindelijk, toen hij het laatste biljet van vijftig euro op een stapeltje legde. Hij wreef in z’n handen. “Nu gaan we tellen”, zei hij. Wil jij het even noteren?” Bet pakte het bloknootje waar ze normaal haar boodschappen in op schreef. Ze giechelde zenuwachtig. “Nou begin maar,” zei ze.
Op dat moment werd er aan de deur gebeld.
“Niet open doen,” snauwde Bram tegen zijn vrouw. Met twee handen begon hij razendsnel de bankbiljetten terug te vegen in de tas. Bet was naar het raam gelopen en ze gluurde door de luxaflex naar buiten. “Er staat politie voor de deur,” zei ze paniekerig. “O lieve God, ze weten het
natuurlijk.” “Kalm nou,” zei Bram. Hij ritste de tas dicht en duwde die uit het zicht, achter een fauteuil. Opnieuw ging de deurbel. “Wat moeten we doen? Wat moeten we doen?” jammerde Bet, “We kunnen ze niet laten staan, ze komen vast weer terug.” “Doe nu maar open,” zei Bram kalm. Trillend over haar hele lijf liep ze naar de deur. Twee politiemensen, een man en een vrouw, vulden ineens de kamer. “Sorry dat we u lastig vallen,” zei de vrouwelijke agent, “maar we willen even wat vragen.” “Gaat u zitten,” zei Bet. Ze probeerde de paniek te bedwingen, zo gewoon mogelijk te doen. De agenten namen plaats op de bank. “Als we het goed hebben,” zei de jonge agent, terwijl hij door zijn notitieboekje bladerde, “was u vanmiddag in het huis van mijnheer Hasselaar.” Hij keek naar Bet en glimlachte vriendelijk. Ze knikte. “Ik doe altijd de boodschappen en nou vanmiddag…” ze hapte naar adem. “Ik snap het mevrouw,” zei de agent, “ ’t Is nooit leuk om iemand dood aan te treffen in zijn huis.” “Hoe laat was het dat u de boodschappen bracht?” vroeg de andere agent. Ze had haar hoedje afgedaan en dankzij de blonde krullen die daar onder vandaan kwamen, leek ze een stuk minder bedreigend. “Een uur of drie,” zei Bet. “Weet u,” de agente aarzelde even, “Mijnheer Hasselaar is niet zomaar dood gegaan. Hij is vermoord.” Het bleef even doodstil in de kamer. Bet voelde dat haar wangen gloeiden. Ze kon geen woord uitbrengen. De andere agent keek haar even aan en zei: “Weest u gerust mevrouw. We verdenken u nergens van. We hebben de dader namelijk al.” De agente nam het weer over. “Een beetje triest eigenlijk,” zei ze. “Mijnheer is vermoord door zijn eigen kleinzoon. Een goede bekende van ons, overigens. Hij heeft gisterenmorgen een supermarkt overvallen en is op de vlucht geslagen met de buit. We hadden hem in het vizier, maar hij wist te ontkomen. Zoals nu blijkt is hij naar het huis van zijn opa gevlucht, om zich daar te verstoppen.” Ze keek naar Bet. “Maar zijn opa wilde hem niet binnen laten. Hij was blijkbaar niet zo dol op zijn kleinzoon.”
Bet zat kaarsrecht op haar stoel. Ze voelde de ogen van Bram in haar rug branden. “Hij heeft de keukendeur geforceerd,” zei de agente, “En is hij dus toch binnengekomen. Maar zijn opa wilde dat hij onmiddellijk wegging, hij schijnt hem zelfs geslagen te hebben met zijn wandelstok. Toen is onze jongeman door het lint gegaan en heeft hij de oude man de keel dicht geknepen.” “Je gelooft het toch niet,” kon Bet uitbrengen. “Hij gelooft het eigenlijk zelf nog niet,” zei de andere agent. “Hij heeft zich eind van de middag zelf gemeld bij ons.” Er viel opnieuw een stilte.
“We moeten u nog iets vragen, mevrouw,” zei de agente. “Deze jongeman beweert dat hij de buit van de overval heeft achtergelaten in het huis van zijn opa. Dus u snapt het wel: hebt u iets gevonden? Een tas met geld?” Bet voelde de ogen van Bram in haar rug. Ze zag de vragende blikken van de agenten. “Nee,” zei ze. Haar hart ging als een razende tekeer. De agenten knikten.
“Dat dachten we wel. Dit is een heel slim jongetje. Hij wist dat we hem vandaag of morgen op zouden pakken. En toen hij zijn opa om het leven heeft gebracht wist hij natuurlijk ook dat zijn buit daar niet meer veilig was. Hij heeft tijd genoeg gehad om zijn buit ergens anders te verstoppen.” Ze stonden op. De agente haalde een visitekaartje uit haar borstzak en gaf
het aan Bet. “Als u nog iets wil weten, of als u ons nog wat wil vertellen, bel me gerust,”
zei ze. “Dank u,” zei Bet. Toen ze verdwenen waren deed Bet meteen de deur op het nachtslot.
“We moeten dat geld teruggeven,” zei ze tegen Bram die nog steeds zwijgend aan tafel zat. “We komen in de grootste problemen. Denk jij dat ze ons geloven? Morgen staan ze vast weer voor de deur.” Ze drentelde zenuwachtig naar de keuken, zonder te weten wat ze daar moest doen. “Rustig nou maar,” zei Bram. “Ga nou even zitten.” Bet pakte het visitekaartje van de agente en legde het naast de telefoon. “Morgenochtend zal ik bellen.” “We bellen helemaal niet,” zei Bram resoluut. “We moeten er alleen voor zorgen dat het geld het huis uit is.” Bet staarde hem aan. “Jij wilt dat geld houden? Het is gestolen geld! We draaien de gevangenis in!” “Zo’n vaart zal het niet lopen,” zei Bram. “Als we maar rustig blijven en het verstandig aanpakken.” “We kunnen dat geld niet houden,” fluisterde ze, “dat kan toch niet?” Alles wat er vandaag gebeurde en gebeurd was spookte door haar hoofd. Ze kon niet meer helder denken. De dood van de buurman, de tas met geld, maar zeker ook de verbazingwekkende koelbloedigheid van Bram, dat alles bracht haar hevig van haar stuk. “Wat was ook weer je allerliefste wens?” vroeg Bram. Ze zweeg. “Nou?” drong Bram aan. “Je wilt toch zo graag op bezoek bij je zus in Australië?” Bet sloeg haar handen voor haar gezicht en barstte in snikken uit.
Bram had het geld overgeheveld in twee stevige vuilniszakken. Ze pasten maar net in de fietstassen. “We wachten tot het helemaal donker is,” zei hij. “Dan fietsen we rustig
naar de tuin.” Bet liet het allemaal gebeuren. Ze had niet meer tegengesputterd toen
Bram zei dat ze nooit meer zo’n buitenkans zouden krijgen. En dat die supermarkt waar dat geld vandaan kwam, goed verzekerd was. Hij had uitgelegd wat hij van plan was. Achter de schuur in de volkstuin was nog een braakliggend stukje grond. Daar zouden ze het geld begraven. Tijdelijk, natuurlijk. Tot alle aandacht rond deze affaire was verflauwd. In de schuur lag nog een stuk landbouwplastic, dat zou het geld wel een paar weken droog houden. En als de kust veilig genoeg was, zouden ze dat geld wel eens op hun gemak gaan tellen. Simpel plan, meende Bram. Rond half tien achtte hij het donker genoeg en stapten ze op de fiets. “Ik graaf die kuil wel,” zei Bram. “En jij moet maar een beetje op de uitkijk staan.” Hij lachte. Voor het eerst, dacht Bet, deden ze iets wat eigenlijk een misdaad was.
Wat de politie niet wist is dat Eduardo, de kleinzoon van Hasselaar, een kompaan had. Zijn kompaan heet Leodolf. Leodolf is de zoon van Bram en Bet. Er was een zekere rolverdeling tussen de twee. Leodolf was het brein terwijl Eduardo eerder de uitvoerder was. Dit bleek ook tijdens de overval. Tijdens de overval wachtte hij in de vluchtauto. Leodolf had een masker opgezet maar Eduardo niet. Tot overmaat van ramp bestolen de twee de winkel waar Janneman, de andere zoon van Bet en Bram, werkte te overvallen.
Toen Leodolf het nieuws vernam dat Eduardo was opgepakt voor moord en zijn bloedeigen moeder het lijk had ontdekt besloot hij daar eens te informeren. Hij had één probleem. Janneman had hem gezien. Hij moest er voor zorgen dat zijn broer niet ging klikken. Hij besloot hem met een bezoekje te vereren. Toen Janneman de voordeur open deed en zijn broer zag staan gooide hij de deur weer dicht en rende naar de telefoon. Leodolf beukte de deur in. Hij kon hem makkelijk overmeesteren. Hij bond hem vast en gooide hem in de kleerkast. Toen ging hij naar zijn ouders.
Bet en Bram wisten nog van niets. Toen ze de bel hoorden dachten ze dat het weer de politie was. Maar tot hun eigen verbazing was het Leodolf die voor de deur stond. Hij vroeg wat er gebeurd was. Bet vertelde het relaas. Ze besloten hem ook te vertellen waar het geld verstopt lag. Toen werd er weer op de deur geklopt. Bet ging open doen. Janneman stond voor de deur.
Toen Leodolf was weggegaan uit het appartement van Janneman werd hij al snel bevrijd. Hij had die avond afgesproken met Guust. Guust was een oude kameraad van hem en tevens politieman. Hij zag dat de deur geforceerd was en ging op inspectie in het huis. Janneman hoorde iets in de woonkamer en probeerde geluid te maken. Zo werd hij gevonden door Guust. Janneman vertelde zijn verhaal toen aan Guust.
Bet en Janneman wandelden de woonkamer binnen. Leodolf trok lijkbleek weg toen hij zijn broer zag binnenwandelen. Hij begon te zweten en te stotteren. “Wat is er?” vroeg Bet. Niets zei Leodolf.” Er is wel iets!” zei Janneman. Hij daar heeft de winkel waar ik werk overvallen! Hij deed het samen met Eduardo Hasselaar. Bet kon het niet meer aan en viel flauw. Janneman en Bram schoten haar ter hulp. Hier maakte Leodolf handig gebruik van om te ontsnappen. Hij wist echter niet dat het huis omsingeld was door de politie. Voor Janneman naar hier kwam had Guust het hele politiekorps opgetrommeld. Leodolf riep recht in de armen van politie.
Ondertussen hadden Bram en Janneman een ambulance opgebeld. De ambulance was snel ter plaatsen en kon Bet naar het ziekenhuis brengen. Leodolf werd naar het politiebureau gebracht waar ook Eduardo verbleef.
Na een kort verblijf in het ziekenhuis was Bet weer aan betere hand. Een paar dagen later kwam het proces van Leodolf voor. Het gezin had besloten collectief tegen hem te getuigen. Toen ze aankwamen in het gerechtsgebouw was het één grote chaos. Iemand van het gerechtsgebouw kwam naar hen toegelopen. Hij zei dat de truck die Eduardo en Leodolf naar hier moest brengen was gecrasht. Van de inzittenden heeft er maar één iemand het ongeval overleefd. Meer weten we nog niet.
De GSM van de man ging. Het gesprek duurde nog minder dan een minuut. Een van de gangster is ontsnapt. Maar we weten niet wie. Bet viel weer flauw en stootte haar hoofd hard tegen de koude vloer van het gerechtsgebouw. Er kwam een beetje bloed op de vloer. Bram hield zijn vrouw vast terwijl Janneman een ambulance ging bellen. Alle hulp lijkt te laat.
Abonneren op:
Posts (Atom)



